Manieren van leren
De leercyclus van Kolb
De Amerikaanse psycholoog Kolb (1974, 1984) heeft een model ontwikkeld voor het in beeld brengen van het verloop van een effectief leerproces. Aan de hand van dit model toont Kolb aan dat ieder mens op een voor hem specifieke wijze leert., de z.g. leerstijl.
Een leerstijl wordt gevormd door twee dimensies:
- Het leren via concrete ervaringen versus het leren van abstracte begrippen
De ene mens leert meer door praktijkervaring op te doen, de ander leert pas als hij de kans krijgt om ervaringen te vertalen in meer algemeen geldende begrippen. Hier zien we de tegenstelling van deductief denken (uit het algemene het bijzondere afleiden) en inductief denken (uit het bijzondere het algemene afleiden). - Het leren door actief bezig te zijn versus het leren door het kijken naar een ander.
De een zal meer baat hebben van leren door doen, een ander neemt liever wat afstand door eerst de kat uit de boom te kijken om te zien hoe anderen een probleem aanpakken. Of: de ene mens gaat het liefst meteen zelf aan de slag, de andere mens leert van het observeren van praktische gebeurtenissen. Hier wordt de tegenstelling tussen actief en passief leren zichtbaar.
De figuur moet worden gezien als een leercirkel. Kolb stelt dat ieder mens bij het leren volgens de eigen leerstijl op een andere plaats in de cirkel begint. Er is geen goede of slechte leerstijl: de dromer leert niet slechter dan de denker, mits men de hele leercirkel doorloopt.
Deze twee dimensies kunnen worden gecombineerd waardoor vier verschillende leerstijltypen kunnen worden onderscheiden. Deze typen zijn: doener, dromer, denker, beslisser (zie figuur).
Doener (activist)
| Leert het beste van | Leert het minst van (en kan zich afzetten tegen) |
| Ondergaan van nieuwe ervaringen / problemen / mogelijkheden | Luisteren naar voordrachten, monologen, uitleg, verklaringen over hoe dingen gedaan behoren te worden, lezen, bekijken |
| Deelnemen aan korte ‘hier en nu’ activiteiten als rollenspelen en competitieve opdrachten die in teamwork uitgevoerd moeten worden | Wanneer wordt gevraagd afstand te houden en niet betrokken te raken |
| Situaties waarin sprake is van opwinding / drama / crisis en veel wisselende zaken | Gegevens opnemen, te analyseren en te interpreteren |
| Voorzitten / discussies leiden / presentaties geven | Wanneer wordt verwacht dat ze alleen werken, d.w.z. lezen, schrijven en zelfstandig denken |
| Brainstormen / ideeën opperen zonder rekening te hoeven houden met beleid, structuur of toepasbaarheid | Wanneer van tevoren wordt gevraagd wat ze willen leren en naderhand taxeren wat ze hebben geleerd |
| In het diepe gooien / uitdaging met ontoereikende middelen en ongunstige omstandigheden | Wanneer ze theoretische verklaringen horen over bepaalde zaken of achtergronden |
| Teamopdrachten | Wanneer gevraagd wordt steeds dezelfde activiteit uit te voeren |
| Vrije opdrachten | Wanneer ze gedetailleerde opdrachten krijgen (weinig speelruimte hebben) |
| Wanneer gedegen werk wordt verwacht (op details letten, eindjes aan elkaar knopen en de punten op de ‘i’ zetten) |
| Sterke kanten | Zwakke kanten |
| Flexibel en openstaan voor nieuwe ideeën | De neiging hebben om zonder na te denken tot de voor de hand liggende actie over te gaan |
| Tevreden met het uitproberen van iets | Vaak onnodige risico’s nemen |
| Tevreden met het blootgesteld worden aan nieuwe situaties | Neiging om te veel zelf te doen en in het middelpunt van de belangstelling te staan |
| Optimistisch zijn over alles wat nieuw is en daardoor waarschijnlijk niet afkerig zijn van verandering | Te snel tot actie overgaan zonder voldoende voorbereiding |
| Verveeld raken door implementatie / consolidatie |
De kracht van de doener ligt in het uitvoeren van plannen, experimenteren en zichzelf in nieuwe ervaringen storten. Hij is meer een risiconemer dan de andere leerstijltypen en kan zich met bewonderingwaardig gemak aanpassen aan onverwacht veranderende omstandigheden. Hij lost problemen op een intuïtieve, proefondervindelijke wijze op. De doener voelt zich op zijn gemak met mensen, maar wordt ook wel eens gezien als ongeduldig en doordrammerig.
Doeners worden vaak aangetroffen in ‘doegerichte’ banen in bijvoorbeeld de marketing of verkoop.
Dromer (reflector)
| Leert het beste van | Leert het minst van (en kan zich afzetten tegen) |
| Wanner wordt aangemoedigd om activiteiten te bezien / te overdenken / te overzien | Wanneer ze worden gedwongen in middelpunt van de belangstelling te staan (als voorzitter / rollenspelen) |
| Groep observeren / afstand moeten houden van gebeurtenissen / op achtergrond blijven bij bijeenkomsten, bekijken van een film of video. | Wanneer ze in situaties worden betrokken waarin gehandeld moet worden zonder dat er sprake is van planning vooraf |
| Wanneer ze mogen denken voordat ze handelen; iets in zich opnemen voordat zij hun mening moeten geven; d.w.z. tijd om voor te bereiden | Wanneer ze zonder waarschuwing opeens iets moeten doen, bijvoorbeeld direct een reactie geven |
| Op onderzoek uitgaan, informatie verzamelen, diepgaand tot de bodem iets uitzoeken | Wanneer onvoldoende gegevens worden aangereikt om tot een conclusie te komen |
| Mogelijkheden om achteraf te overzien wat er gebeurd is, wat ze geleerd hebben | Wanneer pasklare instructies worden gegeven hoe dingen gedaan moeten worden |
| Wanneer ze doordachte, nauwgezette analyses en rapporten afleveren | Wanneer sprake is van tijdsdruk of van snel overschakelen van de ene naar de andere activiteit |
| Binnen een gestructureerde leerervaring het, zonder gevaar, uitwisselen van ideeën met anderen | Wanneer ze hun werk inperken of oppervlakkig doen |
| In eigen tijd tot beslissingen komen zonder dat er sprake is van druk of strakke deadlines. |
| Sterke kanten | Zwakke kanten |
| Voorzichtig | Neiging om zich terug te trekken uit directe participatie |
| Degelijk en methodisch | Langzaam in het maken van een afweging en het komen tot een besluit |
| Bedachtzaam | Neiging om te voorzichtig te zijn en te weinig risico’s te nemen |
| Goed in het luisteren naar anderen en het opnemen van informatie | Niet assertief – niet bijzonder openhartig en niet goed in praten over ‘koetjes en kalfjes’ |
| Slechts zelden tot overhaaste conclusies komen |
De dromer blinkt uit in zijn voorstellingsvermogen. Hij zal concrete situaties uit vele hoeken bekijken. Dromers zijn emotioneel, spontaan en fantasierijk en zijn tijdens een brainstormsessie op hun best. Hierin wordt immers een beroep gedaan op het genereren van ideeën. Zij hebben een brede belangstelling voor cultuur en zijn vaak gespecialiseerd in kunst. We treffen veel dromers aan in de vrije kunsten of in sociale beroepen als counselors, personeelsfunctionarissen en organisatieontwikkelaars.
Denker (theoreticus)
| Leert het beste van | Leert het minst van (en kan zich afzetten tegen) |
| Wanneer het aanbod een deel is van een systeem, model, concept of wanneer ze tijd hebben om te verkennen wat de samenhangen en onderlinge verbanden zijn tussen ideeën, gebeurtenissen en situaties | Wanneer ze iets moeten uitzoeken zonder dat er sprake is van een context of duidelijk doel |
| Wanneer zij de kans krijgen vragen te stellen bij onderliggende onderzoeksmethode, aannames of logica achter zaken | Wanneer ze moeten deelnemen in situaties waarin de nadruk ligt op emoties en gevoelens |
| Wanneer ze intellectueel worden uitgedaagd, bijv. door analyseren van complexe situatie | Wanneer ze betrokken zijn bij ongestructureerde activiteiten, dus met problemen zonder eenduidige oplossing (b.v. ‘sensivity-training’) |
| Ze hebben in gestructureerde situaties een duidelijk doel voor ogen | Wanneer ze moeten handelen of beslissen zonder dat daarvoor in beleid, principe of concept een basis bestaat |
| Wanneer ze kunnen luisteren naar of lezen over ideeën en concepten waarbij de nadruk wordt gelegd op rationaliteit en logica en die goed beargumenteerd / elegant / waterdicht zijn | Wanneer ze worden geconfronteerd met een allegaartje aan alternatieve tegenstrijdige technieken / methoden (b.v. stoomcursus) |
| Wanneer ze de redenen voor succes of falen analyseren en deze daarna kunnen generaliseren | Wanneer ze twijfelen of het onderwerp wel methodologisch solide onderbouwd is, of vragenlijsten gevalideerd zijn, of er voldoende statistisch materiaal is om een standpunt te onderbouwen. |
| Wanneer hen interessante ideeën en concepten worden aangeboden | Wanneer ze het onderwerp alledaags, oppervlakkig en te populistisch vinden |
| Wanneer van hen wordt vereist dat ze complexe situaties begrijpen en er in participeren | Wanneer ze vinden dat ze buiten de groep vallen d.w.z. als er in de groep veel activiteiten zitten of mensen van een lager intellectueel niveau. |
| Sterke kanten | Zwakke kanten |
| Logisch ‘verticaal’ denken | Beperkt in het leggen van dwarsverbanden |
| Rationeel en objectief | Lage tolerantie voor onzekerheid, ongeorganiseerdheid en dubbelzinnigheid |
| Goed in het stellen van onderzoekende vragen | Intolerant ten aanzien van alles dat subjectief of intuïtief is |
| Gedisciplineerde benadering | Veel gebruik makend van ‘zouden’, ‘behoren’ en ‘moeten’ |
De grootste kracht van de denker ligt in zijn vermogen theoretische modellen te creëren. Hij kan goed inductief redeneren (van het bijzondere naar het algemene) en ogenschijnlijk ongelijksoortige opmerkingen omzetten in een geïntegreerde verklaring. Hij is minder geïnteresseerd in mensen en meer in abstracte concepten. Het praktisch nut van zijn modellen en theorieën is voor hem minder belangrijk dan de logica en validiteit van het model zelf.
In organisaties vinden we dit type leerstijl het meest op de afdelingen research en planning.
Beslisser (pragmaticus)
| Leert het beste van | Leert het minst van (en kan zich afzetten tegen) |
| Wanneer er een duidelijke relatie tussen het onderwerp en een probleem of kwestie is | Wanneer het leren niet gerelateerd is aan een direct herkenbare behoefte; wanneer er geen direct praktisch / relevant nut is te onderscheiden |
| Wanneer technieken worden aangeboden die duidelijke praktische voordelen hebben, zoals hoe tijd te besparen, hoe om te gaan met lastige personen e.d. | Wanneer de docent of de gebeurtenis zelf weinig hebben met de realiteit (allemaal theorie; pure boekenkennis) |
| Wanneer ze de mogelijkheid krijgen om technieken in de praktijk uit te proberen en te oefenen onder leiding van een expert. | Wanneer er geen sprake is van oefening of duidelijke richtlijnen voor de uitvoering |
| Wanneer ze worden blootgesteld aan een model dat ze kunnen nastreven (b.v. een expert; iemand met een goede staat van dienst; veel voorbeelden; anekdoten; een film die uitlegt) | Wanneer ze niet snel genoeg ergens uitkomen |
| Wanneer technieken worden aangeboden die toepasbaar zijn in het eigen werk | Wanneer er politieke, bestuurlijke of persoonlijke obstakels zijn bij implementaties |
| Wanneer de mogelijkheid wordt geboden om het geen geleerd is, direct te implementeren | Wanneer de leeractiviteit geen duidelijke beloning biedt. |
| Wanneer sprake is van levensechtheid, d.w.z. een goede simulatie, ‘echte’ problemen | |
| Wanneer ze zich kunnen concentreren op praktische zaken, b.v. maken van actieplannen met een duidelijk eindproduct, het geven van tips |
| Sterke kanten | Zwakke kanten |
| Gespitst op het uitproberen van dingen in de praktijk | Neiging om alles af te wijzen dat geen directe toepassing heeft |
| Praktisch, met beide benen op de grond, realistisch | Niet echt geïnteresseerd in theorieën en basisprincipes |
| Zakelijk – komt direct ter zake | Geneigd tot het aanpakken van de eerste de beste geschikte oplossing van een probleem |
| Gericht op technieken / methoden | Ongeduldig bij geklets |
| Over het geheel genomen gericht op taken en niet op mensen |
De beslisser zoekt onmiddellijk naar de praktische toepassing van ideeën, met name in situaties waarin slechts één correct antwoord of correcte oplossing voor een vraag of probleem voorhanden is. Door het deductief redeneren (van het algemene naar het bijzondere) vindt de beslisser de oplossing. Hij focust het liefst op één specifiek probleem. We vinden beslissers met name in de techniek of in de natuurwetenschappen. Hun belangstelling is meer op dingen dan op mensen gericht.
Het is goed om te beseffen dat bijna niemand een zuivere denker of dromer is. De meeste mensen beschikken over een gecombineerde leerstijl, meet een lichte voorkeur voor één van de vier genoemde benaderingen. Er zijn ook mensen met een ideale leerstijl: dit zijn degenen die op alle vier de dimensies even hoog scoren en voor wie iedere leermethode even effectief is.
